rasstandaard

FCI: Standaard nr. 139, van 13-03-2001

Gebruik: Als veelzijdige hond op het boerenbedrijf, als gezelschapshond, als beschermer en bij het gebruik op de jacht

Indeling FCI:
Groep 3 Terriers, sectie 1 bij de grote en middelgrote honden, geen werkcertificaat. 

Kort historisch overzicht:
Zoals we weten komen er 4 terrierrassen uit Ierland en men denkt dat de Ierse Terrier de oudste van de vier is al geeft men toe daar geen echte overtuigende bewijzen voor te hebben.
Voor 1880 was de rode kleur van de Ier nog niet algemeen. Ze kwamen voor in Black & Tan en in Brindle. Aan het einde van de 19e eeuw heeft men in de fokkerij hard gewerkt om het Black & Tan en Brindle er uit te fokken en in het begin van de 20e eeuw was men zo ver dat alle Ieren de rode kleur hadden.
De Ier is om zijn onverschrokkenheid veelvuldig in de eerste wereldoorlog gebruikt en je kunt je voorstellen dat hij onder zeer zware omstandigheden zijn werk heeft moeten doen en zoiets kan alleen maar als de hond schrander (intelligent) en moedig is.
De eerste club werd in 31 maart 1879 in Dublin opgericht en de Ier werd in de late 19e eeuw als eerste terrier uit Ierland erkend.

Algemene verschijning:
Is die van een actieve lenige en levendige ruwharige verschijning; met veel substantie en tegelijker tijd niet lomp of  plomp omdat snelheid, kracht en uithoudingsvermogen heel erg essentieel zijn. Hij moet op snelheid gebouwd zijn en daarbij een sierlijke racy outline vertonen.
noot: Clumsiness & Cloddy zijn synoniemen van elkaar. De eerste uitdrukking wordt bij de gangen gebruikt en de tweede bij de uiterlijke verschijningsvorm. Cloddy is zoiets als niet elegant, zwaar, lomp of plomp, wat lager op de benen, etc. Cobby heeft de betekenis van kort en gedrongen wat ook niet bij racy (lines of speed = de op snelheid gebouwde hond) hoort.

Gedrag en temperament:
De Ierse terrier die t.o.v. soortgenoten uitstekend in staat is om voor zichzelf op te komen heeft een goed temperament, is opvallend loyaal (trouw) en toont een grote genegenheid voor de mens. Eenmaal aangevallen heeft hij moed van een leeuw en vecht hij door tot het bittere eind. Zijn reputatie als vechtersbaas is echter onterecht. Is een echte terrier als de situatie er om vraagt maar is makkelijk te trainen (op te voeden) en is een vriendelijke (geschikte) huishond.
Ook wel  bekend als “the poorman’s sentinel” (De beschermer van de armen), “the farmer’s friend” (de vriend van de boer), “the gentleman’s favourite” (favoriet van de rijken).

Hoofd:
Lang en vrij van rimpels.
Schedel: Schedel vlak, tamelijk smal tussen de oren, langzaam smaller wordend naar de ogen.
Stop: Stop nauwelijks zichtbaar, behalve van terzijde gezien.
Voorsnuit
Neus:Moet zwart zijn.
Lippen: Vast aanliggend en aan de buitenkant nagenoeg zwart van kleur.
Kaak: Moet sterk en gespierd zijn en van goede lengte voor een krachtige beet.
Tanden: Moeten sterk zijn, recht in de kaak staan, gezond en scharend. 
Bakken: Niet te zwaar beladen. Onder de ogen moet het licht afvallen (invallen) om te voorkomen dat hij in expressie op een Greyhound lijkt.
Ogen: Donker van kleur, klein, niet uitpuilend, vol leven, vuur en schranderheid (intelligentie). Een licht of geel oog is hoogst verwerpelijk (hoogst bezwaarlijk/ afkeurenswaardig).
Oren: Klein en V-vormig, van matige dikte, goed op het hoofd aangezet en naar voren vallend dicht op de wangen (schedel). De bovenkant van het gevouwen oor moet duidelijk boven de schedellijn uitkomen. Een opzij van het hoofd hangend oor, zoals bij de hound, is niet karakteristiek voor de Ier, een halfstaand oor is echter nog meer ongewenst. Het haar op het oor moet kort zijn en donkerder in kleur dan op het lichaam.

Hals:
Van behoorlijke lengte en geleidelijk verbredend naar de schouders, goed gedragen en vrij van keelhuid. Gewoonlijk is er aan weerszijden van de hals een lichte kraagvorming zichtbaar die bijna tot het oor doorloopt.

Lichaam
Lichaam:In symmetrie, niet te lang en niet te kort.
(symetrie = juiste onderlinge verhouding, wat vorm en afmeting betreft, van de onderdelen van een geheel).
Rug: Sterk en recht, zonder zichtbare dip achter de schouders.
Lendenen: Gespierd en licht gewelfd. Een teefje mag iets langer in de lendenen zijn dan een reu.
Borstkas: Diep en gespierd maar niet zwaar of breed. Behoorlijke rib welving, meer diep dan rond en goed naar achteren doorlopend.

Staart: Tamelijk hoog aangezet, vrolijk maar niet over de rug gedragen of gekruld. Tamelijk lang, sterk en van goede substantie (niet iel/dun). Gewoonlijk zodanig gecoupeerd dat 2/3 van z’n originele lengte overblijft. De staart moet goed met ruw en hard haar bedekt zijn en vrij van franje of bevedering (pluim). Een niet gecoupeerde staart is alleen toegestaan in landen waar het couperen verboden is.

Benen
Benen: Beide voor- en achterbenen moeten in de beweging recht vooruit bewegen
Voorhand
Schouders: Goed gevormd, lang en schuin aanliggend.
Ellebogen: Moeten zich vrij langs het lichaam bewegen.
Voorarm: Recht en van matige lengte, krachtig beenderen en goed gespierd.
Polsen:Kort en recht, nauwelijks zichtbaar.
Achterhand
Dijbeen: Krachtig.
Knieën: Matig gehoekt.
Hakken: Dicht bij de grond.
Voeten: Sterk, niet te groot en tamelijk/redelijk rond, tenen gebogen en recht naar voren (niet in- of uitgedraaid), bijvoorkeur zwarte nagels. Goede voetzolen zonder kloven en vrij van corny (hoornachtige) uitwassen.

Gangen: Voor en achterbenen bewegen parallel en recht vooruit, ellebogen bewegen vrij van het lichaam en parallel t.o.v de lichaamsas, knieën niet in- of uitgedraaid (recht naar voren).

Vacht
Beharing: Dichte harde vacht, hoewel vlak aanliggend maakt het de indruk ruwharig te zijn, de haren zijn sterk en groeien zo dicht naast elkaar dat wanneer je ze met de vingers uit elkaar drukt, de huid niet is te zien, niet zacht of zijdeachtig en ook niet zo lang dat het de contouren van het lichaam aan het oog ontrekt, geldt speciaal voor de achterhand en geen lokken of gekruld. Hetzelfde geldt voor het haar op het hoofd maar korter ( t.w. ¾ centimeter lang), overwegend glad en vlak, een geringe baard is het enige lange haar en (het is alleen lang in verhouding tot de rest) dat karakteristiek is en toegestaan. Een baard als een geit geeft de indruk van zijdeachtig en van een niet correcte beharing in de vacht als geheel.
Benen: De beharing is vrij van bevedering en overeenkomstig van die op het hoofd, net zo hard van structuur als op het lichaam maar niet zo lang.

Kleur: Éénkleurig rood, tarwekleurig rood of geel-rood. Soms met wit op de borst. Een beetje wit is regelmatig te zien bij alle éénkleurige rassen.

Hoogte en gewicht
Schofthoogte: Ongeveer 45,72 cm (18 inches)
Gewicht: Reuen 12,25 kg (27 lbs) Teven 11,34 kg (25lbs)

Fouten:
Elke afwijking van voornoemde punten moet als fout worden beschouwd en de beoordeling daarvan dient in overeenstemming tot de ernst van de fout te geschieden.

Disqualificerende fouten:
Neus: Elke andere kleur dan zwart.
Kaken: Waarneembaar onder- of bovenvoor bijten.
Kleur: Elke andere kleur dan rood, geel-rood of tarwekleurig rood. Een kleine witte vlek op de borst zoals bij andere eenkleurige rassen is toegestaan.
Voeten: Kloven of Corny (hoornvormige)uitwassen in de voetzolen.

Noot: Reuen moeten twee normale, volledig in het scrotum uitgedaalde testikels bezitten.